AANKLACHT TEGEN DE STAAT DER NEDERLANDEN.
Ik ben een Molukker van de tweede generatie: 65 jaar. Wat ik in de loop van de laatste 15 tot 20 jaar meemaak aan het overlijden van te veel Molukse tweede generatiegenoten, vind ik buitensporig, om niet te zeggen: niet normaal. Waarom niet normaal? Omdat ik ervan overtuigd ben, dat de wijze waarop de Molukse gemeenschap in 1951 is behandeld na hun onverwachte plotselinge vertrek naar Holland, ronduit discriminerend, mensonterend en onmenselijk is geweest. Begrijp me goed: voor ieder mens komt het moment van de laatste adem, daar ontkomt niemand aan. Echter, in het geval van de vele tientallen overleden tweede generatiegenoten, ligt er een aanwijsbare reden, die alles te maken heeft met de belabberde huisvesting van onze ouders, en hun kinderen: wij dus.

Wij zijn als kinderen opgegroeid in oude, koude, tochtige en vochtige seizoenbarakken en doorvoerkampen voor onze Joodse medemensen. Degenen die de barre winterkou van de jaren ’60 hebben meegemaakt -en nog in leven zijn- weten heel goed waar ik het over heb. Het was zó koud, tochtig en vochtig, dat we met jassen aan in huis rondliepen. De kou was zó intens, dat je vanwege de ijsbloemen niet naar buiten kon kijken. Onze kinderen en kleinkinderen weten amper nog wat dat zijn: ijsbloemen. De grote rivieren waren bevroren; veerponten konden daardoor niet uitvaren en je kon over het ijs lopen naar de overkant van de rivier. De grote Molukse gezinnen hadden één kamer voor de jongens, één voor de meisjes en één voor de ouders. Alleen in de zitkamer brandde een gietijzeren potkachel, die zielige pogingen deed om het hele huis te verwarmen. Meer dan eens stond je met z’n allen om die potkachel, om maar een klein beetje warmte te voelen. Als je een beetje mazzel had woonde je in een stenen barak, maar de meeste barakkenkampen waren van hout. Oude barakken, koude winters en dus koude vloeren, tochtige kieren en vochtige daken en muren: de ideale situatie voor reuma, jicht, astma en andere varianten van wat nu COPD heet (longklachten, kortademigheid), hartaandoeningen, hersenaandoeningen, ziektes aan de organen, klachten aan de zintuigen en aan de gewrichten, slechte leeromstandigheden en vul de lange lijst zelf maar aan. En waar waren bijna al die barakken mee bedekt en afgewerkt? Juist, ja: met asbest. Asbest op de daken, asbest bij de muren, asbest bij de deuren. Wisten wij veel! Ik herinner me nog al te goed, hoe wij als kleine kinderen op het dak klommen en asbest van het dak af scheurden. Ik heb nog lekker asbest gekauwd en vaak genoeg een lap asbest in de fik gestoken en ermee staan wapperen zodat de vonken -en brandende asbest!- om ons heen vlogen als vuurvliegjes. Wisten wij veel! Ja, nu weet men wel beter. Niets zo gevaarlijk en zelfs dodelijk als brandende asbest.

Wat interesseert het de gemiddelde Nederlander nou eigenlijk, wat de Molukse gemeenschap toen heeft meegemaakt? Geen ene zier toch! Maar intussen worstelen wij met deze ziekmakende erfenis van het doffe grijze verleden, omdat wij, tweede generatiegenoten, ons steeds meer gaan realiseren dat het écht niet normaal is, dat zó velen van onze generatiegenoten inmiddels deze wereld hebben verlaten. Bijna automatisch ga je denken: “Wie is de volgende”?, en daarna wordt het die traumatische vraag: “Ben ík de volgende”?

Ik klaag de Staat der Nederlanden aan, omdat zij de Molukse gemeenschap in het begin van 1951 willen en wetens, moedwillig, in deze zeer slechte, ongezonde, oude, koude, tochtige en vochtige asbest-barakkenkampen heeft opgevangen. Daarbij speelt de gedachte dat het om een tijdelijk verblijf zou gaan van zes maanden geen enkele rol. De Staat der Nederlanden móet hebben geweten, wat de gevolgen konden zijn van deze zeer slechte, ongezonde woonomgeving. Het is voor de vele overleden Molukse tweede generatiegenoten te laat, om hier nog iets van te zeggen en in verweer te komen. Maar wij, die ons leven nú hebben en koesteren, wij horen deze leugenachtige hypocriete Staat der Nederlanden op welke manier dan ook aan te klagen. Voor allen, die in de loop der jaren uiteindelijk aan de gevolgen van deze rampzalige “huisvesting” zijn heengegaan, voor hén mogen wij onze ogen, oren en mond niet dichthouden. Maar ook voor onze kinderen, onze kleinkinderen en achterkleinkinderen en daarop komende generaties, moeten wij opstaan tegen dit ons aangedane onrecht. Weten wij veel, wat wij mogelijk onze kinderen en kleinkinderen en volgende generaties, hiervan hebben meegegeven? Nee, toch?

In 2012 werd ons een woning toegewezen in de Molukse wijk waar ik woon. Tijdens het groot onderhoud in de periode januari tot en met juni 2015 moesten op de zolders en uit de deuren asbest worden verwijderd. De Staat der Nederlanden heeft blijkbaar niets geleerd van haar fouten. Hoe luidt die slogan ook alweer: “In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst”? Nou, de enige resultaten in ons verleden zijn duidelijk geen positieve resultaten, waardoor wij voor onze toekomst, door deze Staat der Nederlanden benadeeld, geen enkele garantie meer hebben.

Ik klaag de Staat der Nederlanden aan voor het onnoembaar vele leed en lijden, dat is ontstaan door hun wanbeleid t.a.v. de Molukse gemeenschap vanaf 1951 tot op de huidige dag. Vanuit het verleden is dit leed en dit lijden ons blijven achtervolgen, en zal ons helaas in de toekomst ook blijven volgen. Ik klaag de Staat der Nederlanden aan wegens verkrachting van ons verleden, wegens ontgoocheling van ons heden, wegens ontwrichting van onze toekomst. Ik klaag aan!
Alé rasa bagaimana? Wat voel jíj bij deze woorden?